Een van de voordelen van lopen in Leuven is dat je vrij snel van omgeving kunt veranderen.

Een paar kilometer kan het verschil zijn tussen de stad, de Vaart, een park of een stuk bos. Dat maakt het ook makkelijk om een route te kiezen op basis van wat er die dag op het programma staat.

Ik heb ondertussen een aantal plekken waar ik telkens opnieuw terechtkom.

Niet noodzakelijk omdat het de mooiste looproutes van Leuven zijn. Meestal gewoon omdat ze goed werken.

Langs de Vaart als het eenvoudig moet zijn

Voor een rustige training is de Vaart moeilijk te verslaan.

Je hoeft weinig na te denken over de route, je kunt behoorlijk gelijkmatig lopen en het is makkelijk om de afstand wat langer of korter te maken.

Dat laatste vind ik belangrijker dan ik vroeger dacht.

Sommige trainingen vragen eigenlijk vooral dat je het tempo vindt en daarna zo weinig mogelijk redenen krijgt om daarvan af te wijken. Geen kruispunt om de paar honderd meter, geen voortdurende verandering van ondergrond en liefst ook niet te veel onverwachte hellingen.

Daarvoor werkt een vlak traject goed.

Het is ook een plek waar ik makkelijk een paar extra kilometers kan toevoegen zonder vooraf een ingewikkelde route te moeten tekenen.

Niet de meest avontuurlijke keuze.

Wel eentje die vaak precies doet wat nodig is.

Kessel-Lo als ik gewoon de deur uit wil

Kessel-Lo is voor mij een ander soort lopen.

Rond het Provinciedomein, Vlierbeekabdij en de omliggende straten kun je vrij makkelijk stukken aan elkaar knopen zonder dat je echt een vaste route hoeft te volgen.

Dat vind ik prettig op rustige dagen.

Je kunt beginnen met een idee van hoeveel kilometer je wilt lopen en onderweg beslissen hoe je precies terugkomt. Een extra lus wanneer de benen goed voelen, iets eerder naar huis wanneer dat niet zo is.

Zeker voor een gewone hersteltraining hoeft een route voor mij niet indrukwekkend te zijn.

Ze moet vooral makkelijk zijn.

Het helpt natuurlijk dat dit zowat mijn eigen achtertuin is. Ik hoef niet eerst ergens naartoe te rijden om te kunnen lopen. Schoenen aan en vertrekken is meestal het hele plan.

Abdij van Park wanneer ik wat meer groen wil

Abdij van Park is zo'n plek waar Leuven plots veel minder stedelijk aanvoelt.

Ik kom er graag wanneer ik een rustige training wil combineren met wat meer afwisseling. Minder rechttoe rechtaan dan de Vaart, maar nog altijd eenvoudig genoeg om er zonder veel gedoe kilometers te maken.

Vooral bij langere rustige trainingen vind ik dat aangenaam.

Op een volledig rechte route ben ik me soms te bewust van hoeveel kilometer er nog moeten komen. Wanneer een route wat meer verandert, verdwijnen die kilometers makkelijker.

Dat is geen bijzonder wetenschappelijke observatie.

Maar twintig kilometer voelt niet overal even lang.

Heverleebos voor de dagen waarop vlak niet nodig is

Wanneer het tempo minder belangrijk is, wordt Heverleebos interessanter.

Bos verandert vanzelf hoe je loopt. De ondergrond wisselt, er zitten meer bochten in en het tempo zegt wat minder dan op asfalt.

Dat kan vervelend zijn wanneer je heel precies een training wilt uitvoeren.

Op andere dagen is dat net de reden om er te lopen.

Ik merk dat ik in het bos ook minder naar mijn horloge kijk. Niet omdat de cijfers ineens niet meer belangrijk zijn, maar omdat een tempo van kilometer tot kilometer er minder vergelijkbaar wordt.

Dat maakt sommige trainingen vanzelf wat losser.

En af en toe is dat nuttig.

Voor intervallen hoeft een route vooral saai te zijn

Een mooie looproute en een goede intervalroute zijn voor mij niet noodzakelijk hetzelfde.

Wanneer ik snelle blokken moet lopen, wil ik liefst zo weinig mogelijk verrassingen. Geen druk kruispunt halverwege een interval en geen scherpe bocht net wanneer je eindelijk in je ritme zit.

Een piste is daarvoor natuurlijk het eenvoudigst.

Voor langere tempoblokken zoek ik eerder naar vlakke, overzichtelijke stukken waar ik een tijdje gewoon kan blijven lopen. Ook daar komt de omgeving rond de Vaart snel opnieuw in beeld.

Op zulke dagen hoef ik niet veel te zien.

Ik wil vooral mijn training kunnen afwerken.

Ik kies mijn route eigenlijk pas na mijn training

Dat klinkt omgekeerd, maar zo werkt het meestal.

Eerst kijk ik wat ik moet doen.

Rustig lopen. Herstel. Een lange duurloop. Tempoblokken. Iets sneller werk.

Daarna komt pas de vraag waar ik ga lopen.

Voor een hersteltraining zoek ik iets eenvoudigs dicht bij huis. Voor een lange duurloop wil ik vooral voldoende ruimte om kilometers toe te voegen. Voor tempo probeer ik kruispunten en hoogteverschillen te vermijden. En wanneer tijd en snelheid niet zoveel uitmaken, mag het richting bos.

Daardoor heb ik ook niet echt één favoriete looproute in Leuven.

Ik heb eerder een verzameling stukken die ik telkens anders aan elkaar hang.

Kessel-Lo. De Vaart. Abdij van Park. Heverleebos. Af en toe de piste.

Na genoeg kilometers beginnen die plekken vanzelf met elkaar verbonden te raken.

Dat vind ik eigenlijk een van de leukste kanten van veel in dezelfde omgeving lopen.

Je leert een stad anders kennen.

Niet volgens straten of wijken, maar volgens afstanden.

Je weet op een bepaald moment niet alleen waar iets ligt.

Je weet ook hoeveel kilometer het van thuis is.