Wat me de laatste tijd opvalt aan lopen: er komt zelden een moment waarop iets echt af voelt.

De eerste vijf kilometer. Tien kilometer. Een halve marathon. Een tijd die lang onhaalbaar leek.

Op voorhand lijkt het telkens een soort eindpunt.

Tot je er bent.

Daarna duurt het verrassend kort voor iets wat ambitieus voelde gewoon onderdeel wordt van je referentiekader. Een afstand wordt een training. Een tempo wordt normaal. Een tijd waar je blij mee was wordt ineens de basis van een nieuwe berekening.

Wat gisteren de finishlijn was, wordt morgen vaak de startlijn.

Ik herken dat van ergens anders.

In werk gaat het niet anders. Eerst wil je iets bouwen wat werkt. Daarna zie je vooral wat er nog beter kan. Problemen verdwijnen niet echt. Ze veranderen gewoon van vorm.

Dat is wat vooruitgang doet.

Ze maakt dingen mogelijk die vroeger moeilijk leken. En precies daardoor vallen ze op een bepaald moment niet meer op.

Ik probeer daar tijdens het lopen wat meer op te letten. Niet door minder doelen te hebben. Ik vind het nog altijd leuk om ergens naartoe te werken. Wel door af en toe terug te kijken naar dingen die nu vanzelfsprekend voelen.

Een afstand die vroeger lang was. Een tempo dat ooit snel voelde. Gewoon zonder nadenken de deur uitgaan voor een training die een paar jaar geleden bijzonder zou zijn geweest.

Vooruitgang voelt daarom zo weinig als aankomen.

Er verschijnt altijd wel een volgende uitdaging. Een volgend probleem. Een volgende finishlijn.

En af en toe is het waarschijnlijk goed om te beseffen dat je intussen al voorbij een paar oude bent gelopen.